4. Belastbare basis
De meerwaarde wordt berekend als het positieve verschil tussen de aanschaffingswaarde en de ontvangen prijs bij een overdracht onder bezwarende titel.
Kosten en taksen mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de meerwaarde (m.a.w. deze mogen niet worden afgetrokken). Minderwaarden mogen enkel worden afgetrokken indien gerealiseerd in hetzelfde jaar door dezelfde belastingplichtige in dezelfde categorie van activa.
Meerwaarden die worden gerealiseerd tot en met 31 december 2025 zijn volledig vrijgesteld van belasting. Daarom is het cruciaal om de waarde op 31 december 2025 correct vast te stellen voor alle financiële activa die u reeds vóór 1 januari 2026 in bezit had. Deze waarde wordt voortaan beschouwd als de aanschaffingswaarde voor de berekening van eventuele toekomstige meerwaarden. Dit referentietijdstip wordt ook wel het “fotomoment” genoemd.
Voor veel financiële activa – met name beursgenoteerde instrumenten – zal het bepalen van deze waarde relatief eenvoudig zijn. Bij andere (zoals niet-beursgenoteerde aandelen) is een zorgvuldige waardering vereist.
Voor niet-beursgenoteerde financiële activa, wordt de aanschaffingswaarde op 31 december 2025 bepaald als de hoogste van de volgende waardes[6]:
A) Een waarde gehanteerd bij een overdracht onder bezwarende titel van de financiële activa tussen volstrekt onafhankelijke partijen, of n.a.v. een kapitaalverhoging, of n.a.v. de oprichting van een vennootschap, die plaatsvond tussen 1 januari en 31 december 2025.
B) Een waarde die het resultaat is van de toepassing van een waarderingsformule vastgesteld in een contract of in een contractueel aanbod van verkoopoptie m.b.t. deze financiële activa (contract geldig/in werking op 1 januari 2026).
C) I.g.v. aandelen of daarmee gelijkgestelde instrumenten, een bedrag gelijk aan het eigen vermogen plus 4 keer EBITDA van het laatste boekjaar afgesloten voor 1 januari 2026. Hier wordt naar verwezen als de «forfaitaire waardering».
Enkel in afwijking van de forfaitaire waardering kan de waarde worden vastgesteld door een bedrijfsrevisor die niet de commissaris is of een onafhankelijk gecertifieerd accountant. Deze waardering dient ten laatste te gebeuren op 31 december 2026.
De belastingadministratie behoudt zich het recht voor om, ook ná de waardering door een accountant of revisor, de vastgestelde waarde te controleren en eventueel te betwisten indien er aanwijzingen zijn dat de waardering niet marktconform is – met andere woorden, als deze te hoog wordt ingeschat. Er is geen wettelijke termijn vastgelegd waarbinnen zo’n betwisting moet plaatsvinden. Theoretisch kan de fiscus dit dus nog jaren later, bijvoorbeeld in 2043, doen.
Dit benadrukt het belang van een zorgvuldig onderbouwde waardering, ondersteund door een uitgebreid en goed gedocumenteerd waarderingsrapport. Zo’n rapport moet onder meer aandacht besteden aan de recente financiële resultaten van de vennootschap, de toekomstverwachtingen, en de marktomstandigheden die gelden op 31 december 2025.
Voor aandelen of gelijkgestelde instrumenten die verkregen zijn binnen het kader van de Aandelenoptiewet van 26 maart 1999, telt als aanschaffingswaarde de waarde op het moment van uitoefening van de optie. De meerwaarde die gerealiseerd wordt bij uitoefening van de optie is niet belastbaar onder de nieuwe meerwaardebelasting. Stel u hebt in 2020 een optie toegekend gekregen met een looptijd van 10 jaar en een uitoefenprijs van €50. In 2030 oefent u de optie uit. Op dat ogenblik is de prijs van het aandeel €90. De op dat moment gerealiseerde winst van €40 valt niet onder de meerwaardebelasting. Voor de berekening van de (latere) meerwaardebelasting zal de aanschaffingswaarde €90 bedragen.
Daarnaast is er ook een specifieke regeling voor aandelen die verkregen zijn met een korting of prijsreductie. Hier geldt als aanschaffingswaarde de waarde van het aandeel op moment van verwerving (dus zonder de korting).