De fiscus bevestigde dit jarenlang in haar richtlijnen en administratieve commentaar, waarbij het administratief bezwaar (verzoek tot teruggave) volgens de fiscus als een georganiseerd administratief beroep moet worden beschouwd. Deze kwalificatie houdt in dat er enerzijds eerst een administratief bezwaar (verzoek tot teruggave) moet worden ingediend alvorens een vordering voor de rechtbank kan worden ingesteld, en anderzijds dat het nog steeds mogelijk is om na een beslissing over het administratief bezwaar, een rechtsvordering in te stellen, zelfs na het verstrijken van de desbetreffende termijn.
Recente rechtspraak heeft echter voor de nodige rechtsonzekerheid gezorgd. Het Hof van Cassatie oordeelde op 21 december 2023 (F.22.0013.N-F.22.0056.N) dat artikel 368 WIB 92 niet kan worden gekwalificeerd als een georganiseerd administratief beroep. Het Hof stelde bovendien dat het standpunt van de fiscus, waarbij een rechtsvordering tot terugvordering van niet-ingekohierde bedrijfsvoorheffing of roerende voorheffing pas ontvankelijk is na het uitputten van een administratieve bezwaarprocedure, onjuist is. Met andere woorden: volgens het Hof is het niet verplicht om eerst een administratief bezwaar (verzoek tot teruggave) in te dienen alvorens een rechtsvordering bij de rechtbank kan worden ingesteld. Daarnaast verduidelijkte het Hof dat de termijn in artikel 368 WIB 92 een verjaringstermijn is, waarbinnen de rechtsvordering tot terugbetaling van onterecht betaalde roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing moet worden ingesteld.
Deze visie werd op 13 maart 2025 bevestigd door het Grondwettelijk Hof. Het Hof stelde dat de belastingplichtige binnen de desbetreffende termijn daadwerkelijk een rechtsvordering bij de rechtbank moet instellen. De termijn geldt dus als verjaringstermijn, waarna het recht op teruggave vervalt. De belastingplichtige kan zich rechtstreeks tot de bevoegde rechtbank wenden, zonder eerst een administratief bezwaar (verzoek tot teruggave) bij de fiscus te moeten indienen (arrest nr. 43/2025).
Deze rechtspraak heeft grote gevolgen voor de praktijk. Belastingplichtigen die spontaan BV of RV hebben betaald en achteraf vaststellen dat deze ten onrechte werd ingehouden, moeten hun rechten binnen de desbetreffende termijn veiligstellen door tijdig een rechtsvordering in te stellen. Dit geldt des te meer wanneer de administratieve bezwaarprocedure lang aansleept of een beslissing uitblijft. Het louter indienen van een administratief bezwaar (verzoek tot teruggave) stuit de verjaring niet.