Hoe toepassen?
Het doel van de forfaitaire optie, zeker bij de kosten van de pijler 1-wagen, is tweeledig. Enerzijds is het bedoeld om de administratieve lasten voor werkgevers te verminderen. Anderzijds biedt het werknemers meer duidelijkheid en zekerheid, omdat ze met de forfaitaire berekeningsmethode direct kunnen zien hoeveel geld ze eventueel nog beschikbaar hebben voor uitgaven in de verschillende pijlers.
Werkgevers hebben de vrijheid om te kiezen welke methode ze hanteren, zolang deze consistent wordt toegepast voor alle werknemers en er duidelijke communicatie plaatsvindt. Een werkgever kan er bijvoorbeeld voor kiezen om de werkelijke kostenberekening te gebruiken voor het mobiliteitsbudget, terwijl hij voor de pijler 1-wagen de forfaitaire berekening toepast.
De gekozen berekeningsmethode moet minstens 3 jaar toegepast blijven. Als de werkgever beslist om na deze periode de berekeningsmethode de wijzigen (bv. van werkelijk naar forfaitair) zal dit echter enkel gevolgen hebben voor nieuwe instappers om zo de rechtszekerheid voor bestaande gebruikers te vrijwaren.
Bijkomend wordt expliciet vermeld dat de formules niet beletten dat de werkgever een systeem van referentiewagens toepast.
Hoewel de wet in principe uitgaat van een berekening per individuele werknemer (op basis van de effectief gekozen wagen en het verbruik), wordt al langer toestaan dat de werkgever het mobiliteitsbudget vaststelt op basis van een referentiewagen gelinkt aan de functiecategorie. Ook op deze manier wordt heel wat administratieve complexiteit en verschillen tussen werknemers vermeden. Dit is ook het systeem dat de meeste werkgever, die tot op heden al een mobiliteitsbudget hebben ingevoerd, wordt toegepast.